Foto

Lightroom Classic heeft uitgebreide mogelijkheden om lenscorrecties en perspectiefcorrecties uit de voeren. Die laatste worden ook vaak 'lenscorrecties' genoemd, en zaten oorspronkelijk ook gerangschikt onder dezelfde tab, maar een perspectiefcorrectie is heel iets anders dan de correctie van een eigenschap van de lens. In deze tutorial gaan we naar beide kijken. We beginnen met een foto die met een 'normale' combinatie van een camera en een objectief van hetzelfde merk is gemaakt.
 

Stap 1

Vrijwel ieder objectief heeft lensfouten zoals vertekening, vignettering (donkere hoeken), of chromatische aberratie (gekleurde randjes). Lightroom heeft voor een groot aantal objectieven zogenaamde 'lensprofielen', waarmee die afwijkingen gecorrigeerd kunnen worden. Als je 'Correcties profiel inschakelen' aanklikt, dan zoekt Lightroom zelf het juiste profiel bij het gebruikte objectief, via de EXIF-gegevens in de foto.

De correctie voor chromatische aberratie zit niet in dit profiel (wel soms in een ingebouwd lensprofiel, zie volgende kopje). Dat klik je apart aan bij 'Kleurafwijking verwijderen'. Lensprofielen zijn krachtig, maar niet feilloos. Vooral bij extreme beeldhoeken (bij deze foto werd een Sony 12-24mm objectief gebruikt) is het moeilijk om met een enkel profiel alles goed te corrigeren. Zo is vignettering afhankelijk van het gebruikte diafragma, en soms wil je misschien gewoon geen volledige correctie van de vervorming (omdat daardoor ook iets van het beeld kan worden afgesneden). Daarom vind je onderin nog twee schuifjes, waarmee je de mate van correctie kunt aanpassen.

Stap 2

Sommige camerasystemen hebben ingebouwde lensprofielen. Als dat zo is, toont Lightroom een mededeling dat dit profiel al is toegepast. Je kunt deze automatische toepassing ook niet uitzetten. Klik op het 'i' icoontje om informatie daarover te krijgen. Als het alleen om chromatische aberratie gaat, hoeft je niets te doen. 'Kleurafwijking verwijderen' ingeschakeld houden zal ook geen nadelige invloed hebben. Is het ingebouwde profiel ook voorzien van correctie voor vervorming (zoals bij MicroFourThirds vaak het geval is), dan heeft Lightroom meestal geen eigen lensprofiel, omdat dit dan niet meer nodig is.

Stap 3

Soms kan Lightroom niet automatisch het juiste profiel vinden, of kiest het een verkeerd profiel. Dat kan gebeuren als je een objectief van een ander merk hebt gebruikt, en zeker als dat via een adapter gebeurt. Als je bijvoorbeeld een Canon EF 24-70mm f/4L IS via een Metabones adapter op een Sony A7 camera gebruikt, zal die camera het objectief herkennen als een Sony 24-70mm F4 G SSM OSS en dat in de EXIF-data schrijven. Lightroom kiest dan het profiel voor dit Sony objectief. Je kunt dan zelf het juiste profiel opzoeken, maar dat wil je natuurlijk niet voor iedere foto opnieuw hoeven doen.

Gelukkig hoeft dat ook niet. Nadat je het juiste profiel hebt gevonden en ingesteld, klik je achter 'Installatie' en kies je daar voor 'Standaardwaarden nieuw lensprofiel opslaan'. Vanaf nu kiest Lightroom dan het Canonprofiel als die 'Sony lens' in de EXIF-data gevonden wordt.

Stap 4

Als je wilt dat Lightroom volledig automatisch deze lenscorrecties toepast zodra de foto geïmporteerd wordt, moet je daarvoor ook nog een instelling maken. Daarvoor zijn twee mogelijkheden. Allereerst kan je ze in een Ontwikkelen-voorinstelling opslaan. Die voorinstelling kan je dan bij het importeren toepassen. De tweede mogelijkheid is om het in de standaardinstelling van de camera op te nemen. Houd de Alt-toets ingedrukt, dan verandert de knop 'Opnieuw instellen' in 'Standaard inst…'. Klik daarop en kies dan 'Bijwerken tot huidige instellingen' in het dialoogvenster. Bedenk wel twee dingen. Allereerst worden zo alle instellingen opgeslagen, dus zet eerst alle andere bewerkingen op nul! En bedenk dat je dit voor iedere camera apart moet doen.

Stap 5

De enige objectieven waar dit alles nog steeds niet mee werkt, zijn volledig manuele objectieven zoals die van Samyang. Daarbij wordt geen lensinformatie in de EXIF-gegevens opgenomen, en dus kan Lightroom zo'n objectief ook niet herkennen. Hiervoor kan je een speciale Lightroom plug-in gebruiken, waarmee je alsnog die EXIF-gegevens handmatig toevoegt. Deze plug-in heet 'LensTagger' (www.lenstagger.com). Daarna kan Lightroom dan weer het lensprofiel bij het objectief vinden. Omdat de EXIFgegevens eerst moeten worden bijgewerkt in de plug-in, zal je daarna even op 'Opnieuw instellen' moeten drukken om ervoor te zorgen dat Lightroom opnieuw kijkt of het een lensprofiel heeft voor het gebruikte objectief.

Stap 6

Een enkele keer werken alle eerdergenoemde acties nog steeds niet helemaal naar behoren. Misschien dat je gewoon geen lensprofiel hebt. Voor tilt/shift-objectieven maakt Adobe geen profiel, omdat dit alleen bruikbaar zou zijn als er voor iedere mogelijke tilt- en/of shift-instelling een apart profiel wordt gemaakt. En soms is de chromatische aberratie zo afwijkend, dat de automatische correctie niet goed werkt. Dan kan je overschakelen naar de 'Handmatig' tab, waarin je nog drie speciale mogelijkheden hebt.

Om te beginnen heb je hier weer een schuifje voor Vervorming, maar dit werkt veel sterker dan het schuifje in het Profiel blok. Daaronder heb je de mogelijkheid om handmatig, via het aanklikken van de kleurrandjes, een afwijkende chromatische aberratie te corrigeren. En tenslotte heb je weer een schuifje voor Vignetten, maar nu met een tweede schuifje waarmee je het 'Middelpunt' kunt aanpassen. Dat woord is een beetje misleidend, want het gaat niet om het verschuiven van het middelpunt, maar om de mate waarin de correctie tot de hoeken beperkt blijft of ook meer naar het midden van de foto toe werkt.

Stap 7

Schuin naar achteren hellende gebouwen ('vallende lijnen') zijn een bekend fenomeen, vooral als je met een groothoek fotografeert. Dit is echter geen lensfout, maar een vertekening van het perspectief. Het ontstaat doordat je de camera schuin hield, niet omdat je een bepaald objectief gebruikte. Maar omdat je bij gebruik van een groothoek meestal veel dichter bij je onderwerp zult staan dan bij een langere brandpuntsafstand, houd je bij een groothoek je camera veel schuiner. Daarom lijkt het een probleem dat is gerelateerd aan het objectief. Perspectiefcorrecties zitten in hun eigen 'Transformatie' tab.

Lightroom heeft een paar knoppen om het automatisch te doen: 'Vlak' zet alleen de horizon recht en is vooral handig bij landschapsfoto's met een duidelijke horizon, 'Verticaal' corrigeert alleen de vallende lijnen, 'Automatisch' corrigeert beide maar niet te extreem, en 'Volledig' corrigeert wel extreem. De beste methode is echter om het toch handmatig te doen, met 'Met hulplijnen'. Klik op 'Met hulplijnen' of klik op het icoontje linksboven. Je krijgt nu de mogelijkheid om twee lijnen te trekken langs delen van de foto die netjes verticaal zouden moeten zijn.

Je hebt bij de cursor een vierkantje loep, zodat je nauwkeurig kunt zien hoe je de lijn trekt. Lightroom vervormt de foto vervolgens zodanig dat die lijnen nu keurig verticaal lopen. Wil je de lijnen heel nauwkeurig plaatsen, dan zijn je cursorbewegingen soms te sterk. Houd de Alttoets ingedrukt, dan worden die vertraagd. Dit werkt niet bij het plaatsen van de lijnen, maar wel om ze daarna nog extra nauwkeurig iets te corrigeren.

Stap 8

Bij sterke verticale correcties kan het voorkomen dat de bovenkant van gebouwen wordt afgesneden, omdat die gebouwen als het ware 'voorover gekanteld worden' in de foto. Is dat het geval, dan kan je dit met een negatieve waarde van Y-verschuiving corrigeren. De hele foto zakt dan een stukje naar beneden. Soms zie je dan wel een leeg hoekje tevoorschijn komen, zodat je de uitsnede aan de zijkanten wat smaller moet maken. Zie je aan één kant een leeg hoekje komen, dan valt dat soms met een X-verschuiving te corrigeren. Sterke correcties laten gebouwen soms ook een beetje te veel 'uitrekken'. Ze lijken dan smaller en hoger dan ze in werkelijkheid zijn. Dat kan je corrigeren met het 'Verhouding' schuifje.

Stap 9

Naast de meer bekende verticale perspectiefcorrectie, kan je ook het horizontale perspectief in de foto corrigeren. Dat kan apart, maar ook in combinatie met een verticale correctie (probeer dat maar eens met een tilt/shift-objectief!). Bij architectuurfotografie is dit handig omdat je zo een muur met een raam kunt fotograferen, zonder dat de camera in het raam weerspiegeld wordt. Je stelt de camera iets naar opzij op, en fotografeert dan schuin naar links of naar rechts. Daardoor zullen de horizontale lijnen van de muur nu schuin naar elkaar toe lopen, en dat kan je met een horizontale perspectiefcorrectie weer oplossen.

Ook in de natuur kan dit van pas komen. Bij deze foto van Loch Ness was het probleem dat de onderkant zo schuin loopt. Gewoon afsnijden is lelijk omdat je dan dwars door de bomen links snijdt. En met de camera naar rechts lopen was niet mogelijk, omdat de camera zelf ook op die schuine helling stond. Naar rechts lopen zou betekenen dat de camera lager zou komen, waardoor de bomen op de voorgrond het meer uit het zicht gaan onttrekken. We lossen dit op door een horizontale perspectiefcorrectie uit te voeren.

Stap 10

In eerste instantie wordt de foto daar wel erg smal door, want we zouden die schuine lijnen natuurlijk weg moeten snijden, waardoor een soort panoramafoto overblijft. Dat kan een oplossing zijn, maar soms geeft een gedeeltelijke correctie in het andere vlak een verrassend alternatief. Omdat de bomen aan de linkerkant een beetje schuin naar binnen lijken te gaan hangen, werd een verticale correctie met een enkele lijn toegevoegd (voor de eerste correctie heb je altijd twee lijnen nodig, een aanvullende correctie in de andere richting werkt ook al met een enkele lijn).

Verrassend genoeg bleek dit niet alleen die bomen recht te zetten, maar werd het beeld daardoor ook zo vervormd dat het weer binnen de oorspronkelijke 2:3 beeldverhouding past (rechts valt een klein beetje weg, maar dat is hier geen probleem). Deze correctie van de beeldverhouding was weliswaar niet de aanleiding voor het plaatsen van de verticale hulplijn, maar geeft wel een leuke bonus!

Over de auteur

Johan W. Elzenga is een award-winnende freelancefotograaf en redacteur. Hij schrijft boeken over fototechniek en maakt natuurfoto's in alle uithoeken van de aarde. Ook schrijft hij artikelen over het leven in het wild.

Tekst en fotografie door: Johan Elzenga

Insecten zijn ontzettend boeiend om te fotograferen. Het wemelt van de kevers, juffers, sprinkhanen, vliegen, bijen, mieren, rupsen, hommels en vlinders. Hoe kun je een insect goed scherp en gedetailleerd op de foto krijgen? Lees hier allerlei tips om insecten te fotograferen!

Wat heb je nodig?

Voor het fotograferen van insecten heb je een camera nodig die kleine onderwerpen goed vast kan leggen. Als je echte macrofoto's wilt maken met een beeldverhouding van 1:1, waarbij het onderwerp in het echt net zo groot is als op je sensor, dan heb je een camera met een macrolens nodig. Fotografeer je wat grotere insecten zoals vlinders en juffers dan kan het ook met een telelens.

Heb je geen telelens of macrolens? Dan kun je de scherpstelafstand van je huidige lens verkorten door tussenringen te gebruiken. Hierdoor kun je bijvoorbeeld met een 50mm f/1.8 objectief hele mooie macrofoto's maken.

Zelfs met een smartphone kun je goede macrofoto’s maken. Er zijn namelijk speciale opzet lensjes voor je telefoon. Je moet dan wel erg dicht om het insect kruipen waardoor hij sneller wegvliegt of onder een blad gaat zitten.

Bekijk macro objectieven | Bekijk smartphone lensjes

Tussenringen

Een tussenring verkort de minimale scherpstelafstand en deze plaats je tussen het objectief en je camera. Je onderwerp komt daardoor groter in beeld, maar de tussenring heeft verder geen invloed op de beeldkwaliteit. Het is mogelijk om meerdere tussenringen met elkaar te combineren om nog dichterbij te kunnen komen. Een tussenring is, net als een close-up filter, een eenvoudige oplossing om te beginnen met macrofotografie zonder meteen een speciale macrolens te hoeven kopen.

Best verkochte tussenringen

Bekijk alle tussenringen

Close-up filters

Een close-up filter kun je een beetje vergelijken met een vergrootglas en schroef je op je objectief. Het insect komt groter in beeld, maar de vergroting hangt af van de brandpuntsafstand van het objectief waar je het filter op zet. Een close-up filter werkt het beste in combinatie met wat langere brandpuntsafstanden zoals een 85mm lens of langer.

Bekijk close-up filters

Hoe fotografeer je insecten? - 2

Welke instellingen gebruik je?

Bij het fotograferen van insecten moet je nauwkeurig te werk gaan en meestal zit je heel dicht op je onderwerp. Om voldoende scherpte in de foto’s te krijgen is het daarom nodig om voor een hoog f-getal zoals f/8 of nog hoger te kiezen. Het is verstandig om een snelle sluitertijd te gebruiken, zeker wanneer je vanuit de hand fotografeert. Een snelle sluitertijd van bijvoorbeeld 1/500e van een seconde wordt een ‘korte’ sluitertijd genoemd.

De ISO-waarde houd je zo laag mogelijk om ruis in je afbeeldingen te voorkomen, maar het diafragma en de sluitertijd zijn voor het eindresultaat veel belangrijker. Wees daarom niet bang om de ISO omhoog te zetten als je een ander diafragma of een snellere sluitertijd wilt gebruiken voor een betere belichting of een scherpere foto!

Hoe stel je goed scherp op een insect?

De scherpte van een foto is erg belangrijk. Je kunt met een spiegelreflexcamera of een systeemcamera automatisch en handmatig scherpstellen op een insect. De automatische scherpstelling is goed te gebruiken bij stilzittende onderwerpen en insecten die wat groter zijn, bijvoorbeeld vlinders. Maar de autofocus stelt vaak nét op een ander punt scherp dan jij wilt en deze manier van scherpstellen heeft meer moeite met kleinere en bewegende onderwerpen. De scherpte kun je na het automatisch focussen, het beste handmatig finetunen op de ogen. Veel macrofotografen hebben dan ook de voorkeur voor een volledig handmatige scherpstelling omdat het sneller en nauwkeuriger is.

Heb je geen vaste hand, wil je met langere sluitertijden werken of werk je met een objectief met een langere brandpuntsafstand? Fotografeer dan vanaf een statief of een monopod om bewegingsonscherpte te komen. Het werken met lange sluitertijden is bij het fotograferen van insecten heel goed te doen als het windstil is.

Handig om te weten

Veel fotografen maken foto’s van insecten met behulp van tussenringen. Bij de meeste tussenringen werkt de automatische scherpstelling niet. Andere automatische functies blijven wél werken, maar je moet handmatig scherpstellen. Let hier eventueel op als je tussenringen gaat kopen.

Waar en wanneer vind je insecten?

Insecten zijn bijna overal te vinden, maar veelbelovende locaties zijn vijvers, bloemenvelden en natuurlijk je eigen achtertuin. Om specifieke soorten vast te leggen, kun je je online vooraf verdiepen in het insect. Zo kun je gericht op zoek naar favoriete plekjes om ze te vinden!

Overdag zijn de insecten heel erg actief en blijven ze maar kort stilzitten, daarom is het aan te raden om een keer vroeg op pad te gaan. ‘s Morgens zijn veel insecten nog niet zo actief omdat ze moeten opwarmen voordat ze kunnen vliegen. Ze zitten echt te wachten op de eerste zonnestralen. Dit maakt het makkelijker om ze te benaderen. Het licht is ‘s morgens ontzettend mooi en je hebt meer tijd om foto’s te maken. ‘s Avonds koelt het weer af en ook dát is een goed tijdstip om op zoek te gaan naar insecten.

Hoe benader je een insect?

Insecten schrikken van snelle bewegingen en onverwachte veranderingen in hun omgeving. Het is niet moeilijk om een insect dicht te naderen, maar je moet er de tijd voor nemen en wat rustiger aan doen. Loop langzaam naar het insect toe en ga niet te snel op de grond zitten of door de knieën. Op deze manier kom je veel dichterbij een insect dan je in eerste instantie denkt. Zorg er ook voor dat je eigen schaduw niet over het insect beweegt.

Let op de omgeving

De achtergrond, de voorgrond én de ondergrond spelen een grote rol bij het fotograferen van insecten. Maak een bewuste keus in hoeveel je van de omgeving van het insect laat zien. Controleer bij het bekijken van je foto’s niet alleen de scherpte, maar bekijk ook goed wat de achtergrond met je foto doet. Is er een felle bloem die de aandacht wegtrekt van het insect en kun je die misschien buiten beeld houden? Of voegen de net zichtbare strepen van het riet juist wat toe aan de foto? Misschien kun je het beeld wat zachter maken door een stukje op te schuiven en door de begroeiing heen te fotograferen of een blad achter het insect vast te houden met je andere hand.

Standpunt en compositie

Je kunt experimenteren met het standpunt, maar de meeste foto’s van insecten worden gemaakt vanaf ‘ooghoogte’. Je zult regelmatig door de knieën moeten of op de grond liggen voor de mooiste hoek. Er bestaan basisregels voor compositie zoals de ‘Regel van derden’, maar je kunt daar van afwijken. Houd bij het bepalen van de perfecte compositie in ieder geval rekening met aanwezige lijnen en met de positie van de kop. Geef het insect wat meer kijkruimte naast de kop en kader niet te krap. Zo kun je later altijd nog wat van de foto afsnijden voor een betere compositie.

Macrofoto’s en flitsen

Je hebt best veel licht nodig voor het maken van goede macrofoto’s. Een flitser kan uitkomst bieden om meer scherptediepte in een foto te krijgen en je kunt er ongewenste schaduwen mee oplichten. Door de kracht van de flits kun je zelfs bewegingen van een insect bevriezen. Denk aan een ringflitser, een twin light flitser of een ‘gewone’ reportageflitser. Een ringflitser geeft mooi, egaal licht en is eenvoudig in gebruik. Met een twin light flitser kun je heel gericht je onderwerp verlichten, maar dat vergt wel eerst wat meer oefening in de praktijk. Sommige fotografen gebruiken een wit reflectiescherm om schaduwen op te lichten.

We maken reizen naar speciale soorten en gaan op zoek naar spectaculaire locaties en omstandigheden. Alles voor de mooiste foto’s. Dan komen we thuis en ploffen neer in onze tuin. Terwijl we genieten van de lente om ons heen mijmeren we van verre plekken waar we net vandaan komen of nog naartoe willen. Maar hebben we genoeg oog voor de pracht en praal om ons heen? Heb je wel eens gezien wat voor prachtige natuur er groeit tussen de tuinkabouter en het tuinpad? Wat er bloeit naast de emmer? Wat voor lichtspel er komt als de buren hun paraplu opzetten? In dit blog laat ik je zien wat je allemaal kunt doen in eigen tuin!

Een ode aan de ‘gewone’ soort

Fotografie gaat niet om de mooiste plek, de zeldzaamste soort of het meest spectaculaire moment. Fotografie gaat om het mooiste beeld op iedere plek, van iedere soort en op ieder moment. Natuurlijk zijn kievitsbloemen prachtig of het vrouwenschoentje (een orchidee) maar ga eens ècht kijken naar alle ‘gewone’ soorten in je tuin. Die zijn soms mooier dan welke zeldzame soort ook… Fotograferen is leren kijken, ècht kijken. Begin daar eens mee.

Isoleer het onderwerp

Wanneer je met macro of details te maken hebt gaat het om een onderwerp in een ruimte. Als fotograaf moet je zorgen dat je onderwerp duidelijk naar voren komt en niet vastgeplakt zit aan de achtergrond. Je wilt je onderwerp isoleren. Dat kan op verschillende manieren: met scherpte, kleur of licht.

1. Isoleren met scherpte

Een scherp onderwerp op een onscherp achtergrond zorgt ervoor dat je duidelijk ziet wat het onderwerp is. Immers, ons oog stelt ook altijd scherp op datgene wat we willen zien en zorgt dat de rest naar de achtergrond verdwijnt. In een eerder blog van mij kun je meer lezen over het werken met scherpte, onscherpte en scherptediepte.

2. Isoleren met kleur

Wanneer je onderwerp een afwijkende kleur heeft ten opzichte van de omgeving trekt dat ook de aandacht. Dan maakt het weinig uit wat de kleur van de omgeving of het onderwerp is, iets wat afwijkt van het grotere geheel trekt gewoon de aandacht.

3. Isolatie met licht

Ons oog trekt altijd naar lichte delen in een foto. Wanneer je onderwerp lichter is dan de omgeving heb je meteen de volle aandacht. Zo fotograferen niet veel mensen een bloem van achteren. Maar het tegenlicht in de foto hieronder schijnt zo mooi door de blaadjes, dat je een perfecte isolatie krijgt als je de foto wat onderbelicht:

Macro technieken in je eigen tuin! - 5

Let goed op de compositie

Compositie gaat over de verdeling in de ruimte, waar plaats je je elementen in de foto en hoe zou je die kunnen verbinden? Daarbij heb je de ruimte die het onderwerp inneemt en alles eromheen. Officieel wordt gesproken over de positieve en de negatieve ruimte. De positieve ruimte is de ruimte die het onderwerp inneemt in de foto, de negatieve ruimte is alles eromheen. Beetje een vreemde bewoording, het is immers de negatieve ruimte die jij als fotograaf gebruikt om de foto spannend te maken. Er zijn een paar zaken waar je op kunt letten: laat ruimte over, gulden snede of regel van derden, achtergrond en werken met onscherpte.

1. Laat ruimte over

Heb je een mooie bloem gevonden, dan is de eerste vraag hoe je deze in de ruimte van het beeld gaat plaatsen. Je kunt kiezen om krap te kaderen waarbij je alle details mooi ziet of juist wat ruimer te kaderen met meer omgeving. Het laatste beeld is veel spannender. Kijk, een bloem is al mooi van zichzelf, dat is niet jouw verdienste. Hoe jij hem echter in de ruimte plaatst is een artistieke keuze.

2. De gulden snede of regel van derden

Als je dan graag ruimte over wilt laten, is de vraag waar je het onderwerp in het beeld moet plaatsen. Links, rechts, boven, onder? Ken je de gulden snede nog (of regel van derden, bijna hetzelfde)? Zet je onderwerp eens in een zogenaamd 1/3 punt, dan oogt je foto meteen veel spannender.

3. De achtergrond

De achtergrond is het allerbelangrijkste! Niet de bloem? Nee! Als gezegd is de bloem mooi van zichzelf, daar kun jij niets aan doen. Maar de achtergrond wel. Door de juiste achtergrond te kiezen maak je je foto extra spannend. De achtergrond mag niet concurreren met het onderwerp maar moet juist ondersteunen. Dus niet té scherp maar hij mag wel herkenbaar zijn.

4. Werken met onscherpte

Over scherpte, onscherpte en scherptediepte heb ik al eens een uitgebreide blog geschreven, maar wist je dat je niet alleen mooie onscherpte in de achtergrond kan creëren? Ook de voorgrond kun je onscherp maken en dat geeft een extra spannend element aan je compositie. Zonder teveel in de techniek te duiken, lees daarvoor het andere blog nog eens door, kan ik wel zeggen dat alles wat zich tussen jou en je onderwerp bevindt véél onscherper wordt dan alles wat zich achter je onderwerp bevindt. De scherptediepte vóór het onderwerp is veel kleiner dan erachter en met dat concept kun je heel mooi spelen. Door iets vóór je onderwerp te plaatsen krijg je al snel een zachte waas. Zo kun je ook door vanalles heen fotograferen.

Alles valt en staat met licht

Licht is alles. Egaal licht is al prachtig maar een mooie lichtval zorgt vaak voor heel spannende effecten. Zeker als je de lichtval combineert met onder- of overbelichting. Als het zonnetje in mijn tuin schijnt ga ik op zoek naar onderwerpen die precies in het licht staan en de omgeving niet, of juist andersom. Dat verschil in lichtintensiteit kun je gebruiken voor een bepaalde sfeer.

1. Creëer je eigen licht

Misschien heb je mijn blog over de paddenstoelen gelezen waarin ik uitgebreid vertel over werken met allerlei flitsers. Dit kun je natuurlijk ook bij boemetjes doen. Dat is best lastig, maar je kan ook heel eenvoudig beginnen. Zo kun je met een lampje al enorm leuke effecten bereiken. Ik heb mogen experimenteren met de Manfrotto Lumimuse 8 On-Camera LED Light. Die is niet alleen geschikt voor filmen maar ook makkelijk mee te nemen voor een extra licht effectje bij je macrofotografie. Hij is regelbaar in sterkte en met de extra glaasjes en kleurenfilters (eigenlijk bedoeld voor filmen van mensen) kun je nog eens extra kleureffecten aanbrengen.

Macro technieken in je eigen tuin! - 27

2. Het licht temperen

Zonlicht is prachtig maar soms wil je die lichtval niet of schijnt het licht precies verkeerd. Dan kan je besluiten om een deel van je foto, je onderwerp of misschien wel je achtergrond, in de schaduw te zetten om een andere balans in licht(val) te krijgen. Het eenvoudigste is om een witte paraplu te pakken. Deze zijn kleurneutraal en tegelijk krijg je een egale zachte lichtval in het schaduwgebied.

Ik heb geen macrolens, wat nu?

Geen nood! Een macrolens werkt wel het fijnste maar is zeker geen noodzaak. Er zijn diverse mogelijkheden. Pak gewoon je telelens of je kijk eens naar tussenringen of voorzetlenzen.

1. Pak je telelens

Je kunt met je telelens bloemen vaak net zo mooi in beeld brengen. Kruip gewoon zo dicht mogelijk op je onderwerp en werk met lage diafragmawaarden.

2. Tussenringen

Tussenringen zijn holle buizen die tussen je normale lens en je camera komen. Daardoor kun je ineens een stuk dichterbij komen dan normaal. Tussenringen komen in een setje van drie en door één of zelfs meerdere ringen te gebruiken kom je dichter op je onderwerp. Je maak van een gewone lens dus een soort macro lens. Het kent wel een paar nadelen. Zo kost het gebruik van tussenringen licht, werkt vaak je autofocus niet meer zo goed en kom je zó dicht op je onderwerp dat het fotograferen van insecten wat lastiger is. Omdat de buizen geen glas bevatten lever je gelukkig niet in op de beeldkwaliteit.

Bekijk hier alle tussenringen

Macro technieken in je eigen tuin! - 35
Macro technieken in je eigen tuin! - 36
Macro technieken in je eigen tuin! - 37

3. Voorzetlenzen

Een voorzetlens is een soort vergrootglas wat je, in plaats van een filter, op je objectief schroeft. Je hebt ze in verschillende sterktes (dioptrie) en het effect is, net als bij tussenringen, dat je ineens een stuk dichterbij kan. Mijn ervaring is dat ze vooral prettig werken bij telelenzen, bij standaard lenzen zit je al snel heel dicht op je onderwerp en met groothoeklenzen zelfs in je onderwerp. Kent een voorzetlens nog voor- of nadelen? Het kost geen licht en autofocus blijft het beter doen dan bij tussenringen. Wel zet je er extra glas voor en dus kost het in potentie wat kwaliteit. Ook bij voortzetlenzen geldt dat niet alleen de minimale scherpstelafstand naar voren komt, de maximale ook. Dus ook hier géén oneindige scherpte meer. Maar het neemt geen ruimte in je tas in, je pakt het snel even mee.

Bekijk hier alle close-up filters

Hieronder zie je het verschil tussen een foto gemaakt op 400mm met een 100-400mm lens en dezelfde foto gemaakt met de 500D close-up lens. De bloem is veel groter in beeld!

 

Gebruik eens een polarisatiefilter

Polarisatiefilters kennen we vooral uit de landschapsfotografie maar weet je dat ze ook bij macrofotografie hele mooie resultaten geven? Een polarisatiefilter (officieel circulaire polarisatiefilter) is een filter dat een bepaald type licht wegfiltert: gepolariseerd licht. Dat is verstrooid licht. Licht wat direct uit een lichtbron komt is niet gepolariseerd, maar als het eenmaal van een oppervlak terugkaatst verstrooit het licht. Denk aan natte bladeren of vochtige stenen. Onder dat vocht is de kleur vaak het meest verzadigd maar als je fotografeert dan zie een lichte reflectievlek. En juist die vlek kun je heel mooi wegfilteren met een polarisatiefilter, ook bij macro.

Gebruik een statief

Ook in de tuin is het handig om een statief te gebruiken. Het grote voordeel is dat je, als je eenmaal je compositie hebt bepaald, in alle rust kunt experimenteren met instellingen, lichtval, lamplicht en/of paraplu’s zonder dat je telkens opnieuw je foto moet bepalen. Nu zijn grote statieven vaak onhandig maar ook kom je vaak niet laag genoeg. Daarom hierbij een aantal van mijn oplossingen:

Bekijk alle macrostatieven

En nu de tuin in!

Met al deze tips moet het lukken om mooie foto's te maken in je eigen achtertuin of voortuin. Nu moet je alleen nog op zoek naar een mooi onderwerp in je tuin. Heel veel plezier en succes!

In het voorjaar en de zomer schieten de bloemen uit de grond. Je kunt hier prachtige foto's van maken. Maar hoe doe je dat nu eigenlijk? In dit blog geef ik 10 tips en trucs om je bloemen foto’s nog mooier te maken!

Tip 1: Gebruik een macrolens

Om dichtbij je onderwerp te komen is het erg handig als je in het bezit bent van een macrolens. Je kunt daarmee heel dichtbij je onderwerp komen. Wanneer je bijvoorbeeld alleen een 50mm lens hebt, kun je eventueel gebruik maken van tussenringen of voorzetlensjes om wat dichter bij de bloem kunnen komen.

Tip 2: Neem handige dingen mee

Omdat je bij het fotograferen vaak op de grond ligt of zit, kan het handig zijn als je iets van een vuilniszak mee hebt. Je houdt niet alleen jezelf en je kleding, maar ook je camera nog een beetje schoon.

Verder heb ik in mijn fototas nog wat ‘rommel’ zitten die ik gebruik om dingen een beetje uit beeld of juist in beeld te houden. Plastic boterhamzakjes (ongekleurd) gebruik ik in het onscherpe gebied vlak voor mijn lens om in de onderkant van het plaatje wat rommel buiten beeld te houden en wat zachtheid te creëren.

Ik gebruik met regelmaat de Wimberley PP-200 The Plamp II om mijn onderwerp juist gefixeerd in beeld te houden. Dit is een soort flexibele slang met een klem aan het uiteinde waarmee je bijvoorbeeld een bloem kunt fixeren. Om een onderwerp soms net even wat beter uit te lichten, heb ik een klein zaklampje bij me.

Tip 3: Gebruik een groot diafragma

Niet iedereen houdt ervan, maar ik ben liefhebber van zachtheid en dromerigheid in foto’s. Die sfeer ontstaat niet wanneer je werkt met een klein diafragma (een hoog f-getal). Er zijn dan te veel details zichtbaar en dat zorgt voor een drukker beeld. Deze zachte foto's krijg je door een groot diafragma te gebruiken. Ik gebruik meestal een f-waarde van f/2.8 tot f/4.0 tijdens het fotograferen.

Tip 4: Speel met onscherpe gebieden

Naast een groot diafragma kun je de zachtheid om je onderwerp heen verder beïnvloeden door voorwerpen in het onscherpe gebied te plaatsen. Zo kun je er bijvoorbeeld voor zorgen dat zaken in het scherpere deel van je foto enigszins worden afgedekt en een soort van zachte deken krijgen.

Tip 5: Weet wat er bloeit

De bloemen die ik hieronder heb neergezet zijn allen redelijk goed vindbaar in de natuur om je heen. Bossen en parken, maar misschien zelfs wel in je eigen tuin. In dit overzicht heb ik de voor mij meest interessante bloemen neergezet en gecombineerd met hun bloeiperiode zodat je weet wat je kunt verwachten als je in de aankomende tijd op pad gaat. Met het weer buiten weet je het echter nooit dus houd wel een beetje een marge aan.

10 tips voor het fotograferen van bloemen - 4

Tip 6: Let op je compositie

Probeer je onderwerp vanaf dezelfde hoogte, of zelfs lager, dan je onderwerp te fotograferen. Wanneer ik fotografeer ligt mijn camera regelmatig plat op de grond. Als je eenmaal voor je onderwerp ligt of zit, probeer dan eens te kijken wat het doet als je nog een stukje achteruit gaat.

Over compositie zijn hele boeken geschreven. Waar het op neerkomt is er voor te zorgen dat je een boeiende foto maakt waar je fijn naar kunt kijken. Zorg voor niet te veel obstakels in je beeld. De kijker moet duidelijkheid hebben over het onderwerp.

Leer meer over compositie

Tip 7: Let op de ruimte in een foto

Verder vind ik ruimte in een foto erg belangrijk. Ruimte, het klinkt zo simpel maar ik zie regelmatig plaatjes langskomen waarbij het onderwerp in de verdrukking komt. Ik hou van ruimte, omdat ik vind dat een mooi onderwerp dat verdient. Door de ruimte krijgt een foto meer onscherpe delen en wordt het geheel een stuk rustiger. Hierdoor is de foto vaak veel fijner om naar te kijken. Een bos bloemen zet je thuis ook niet tussen veel andere voorwerpen maar geef je de ruimte omdat ze gezien mogen worden.

Tip 8: Durf te experimenteren

Het kan leuk zijn om wat te experimenteren met spielerei. Een streng kerstboomlampjes die je in de voor- of achtergrond neerlegt of ophangt. Ook met stukjes aluminiumfolie kun je zorgen voor een net wat specialer plaatje. Een verstuiver met water (plantenspuit of zoiets) kan de suggestie wekken van dauwdruppels.

Creatief gebruik maken van eenvoudige hulpmiddelen en van de in de omgeving aanwezige materialen vind ik eigenlijk het leukste. Je kunt je compositie verder opbouwen met bijvoorbeeld een andere bloem, een blad van een varen, een ‘you name it’ etc.

Gebruikmakend van de mogelijkheden die het onscherpe gebied heeft plaats je deze extra’s zodanig dat je compositie interessanter, leuker, speelser, kleuriger wordt. Je kunt zelfs de de eventuele zachtheid, de belichting en contrasten verder beïnvloeden.

Tip 9: Bokeh en lichtbubbels

Velen zijn er gek op, anderen vinden het niets. Ik behoor duidelijk tot de eerste categorie. Bokeh en lichtbubbels zijn gemakkelijker te verkrijgen met een groot diafragma (f4.0 - f2.8). Wanneer de achtergrond van je onderwerp bijvoorbeeld een struik is waar licht doorheen schijnt, zorgt een groot diafragma er voor dat niet de details van die struik in beeld komen maar slechts de vage vormen. En het licht dat er doorheen schijnt, krijgt de vorm van bubbels. Je krijgt dit effect nog makkelijker wanneer je de camera vanuit een lager standpunt omhoog richt in de richting van het licht.

Tip 10: Bewerk je foto's

Je wilt de aandacht van de kijker naar het onderwerp trekken. Ik ben er van overtuigd dat elke foto nog mooier kan worden als je een beetje overweg kunt met bijvoorbeeld Lightroom of een andere fotobewerkingsprogramma. Het loont de moeite ook daar tijd in te investeren.

Om er voor te zorgen dat dit gebeurt kun je bijvoorbeeld je onderwerp lokaal wat oplichten. Een andere manier om dit te doen is toevoegen van een zacht, vloeiend vignette. Vanzelfsprekend kun je beide combineren.

Het verminderen van schaduwen en zwart tinten zorgt er voor dat je foto wat frisser oogt. Let er hierbij echter wel op dat je niet overdrijft, want het risico dat je hiermee ruis toevoegt is nadrukkelijk aanwezig. Deze handeling kun je op de gehele foto maar natuurlijk ook uitsluitend lokaal toepassen.

Om wat meer dynamiek in het beeld te krijgen, kun je bovendien het contrast wat ophogen en dit combineren met het terugschuiven van je zwarten. Let ook hierbij op een eventuele toename van de ruis.

Bovenstaande tips voor het fotograferen van voorjaarsbloemen zijn volgens mij nuttig, leuk wellicht, maar absoluut geen noodzaak. Vanzelfsprekend moet je er natuurlijk bovenal voor zorgen dat je gewoon geniet en lol hebt met je hobby!

Continulicht kun je gebruiken bij het fotograferen én filmen. Maar welke continulamp kun je het best kopen? Er is veel keus en een lamp moet passen bij wat jij er mee wilt belichten. Daarom leggen we je uit waar je op kunt letten bij het kopen van continulicht.

 

Waar wil je de lamp voor gebruiken?

Continulicht wordt al jaren gebruikt voor video, maar het wordt steeds meer ingezet door fotografen vanwege het gebruiksgemak en de snelheid. De belangrijkste vraag die je jezelf eerst moet stellen is: ‘Waar ga ik de lamp voor gebruiken?’. Wat voor onderwerpen wil je gaan belichten? Welk licht past daarbij? Voor food- en portretfotografie heb je bijvoorbeeld een andere lamp nodig dan voor het maken van video’s.

Videografie

Bij video is het geluid een belangrijke factor: je wilt een stille lamp met een hoge kleurechtheid en een consistente kleurtemperatuur. Als journalist kun je al iemand op een meter afstand uitlichten met een klein paneel op je camera. Voor het uitlichten van een grote ruimte heb je veel lampen nodig, tenzij de lamp zelf heel groot is. Daarna is het aan jou om te kiezen voor een paneel met kleppen of dat je liever een lamp koopt waar je lightshapers op kunt zetten.

Fotografie

Continulicht kun je ook goed inzetten voor het maken van portretten, productfoto’s én foodfoto’s. Wil je portretten fotograferen met een zachte belichting dan heb je een lamp met een relatief hoog vermogen en een grote oppervlakte nodig. Denk bijvoorbeeld aan een LED-lamp met softbox. Voor voedselfotografie heb je zacht en egaal LED-licht nodig met een hoge kleurechtheid en lage kleurtemperatuur. Eventuele accent lichtjes moeten wel sterk zijn om niet verloren te gaan het grotere geheel.

LED-lamp of daglichtlamp?

Daglichtlampen worden al heel lang gebruikt en zijn ideaal voor het maken van portretten of productfoto’s. Het voordeel is dat deze lampen relatief goedkoop zijn waardoor je voordelig kennis kan maken met het fotograferen met losse lampen. Toch zijn er ook wat nadelen. Zo hebben ze een vaste kleurtemperatuur en kunnen ze alleen aan of uit. De nieuwere LED lampen hebben deze nadelen niet. LED lampen zijn wel wat duurder maar je kan de helderheid en kleurtemperatuur vaak traploos aanpassen. Hierdoor heb je veel meer mogelijkheden en kun je het licht zo instellen zoals jij het wil. Met panelen kun je een ruimte goed uitlichten. Het uitlichten van personen gaat beter met lightshapers zoals softboxen.

Welke continulamp moet ik kopen? - 2

Lampkop of lichtpaneel?

Heb je deze keuze gemaakt voor LED licht maar twijfel je nog tussen een lampkop met losse lightmodifiers of een lichtpaneel? Bedenk dan welke mogelijkheden je wil. Wil je alleen zacht licht wat je met barndoors kan sturen? Kies dan voor een lichtpaneel. Wil je ook wel eens foto’s maken met hard licht of licht aanpassen met light modifiers? Kies dan voor een LED lampkop.

Waar let je op bij het kopen?

Het vermogen

Het vermogen of de lichtopbrengst wordt uitgedrukt in lumen. Niet elke fabrikant meet het vermogen op dezelfde manier. Maar over het algemeen is het zo dat hoe hoger het getal is, hoe krachtiger een lamp is en hoe verder weg je ‘m kunt zetten voor het belichten van je onderwerp. Iemand die dicht bij een sterke lamp staat, heeft namelijk last van het felle licht en ziet lichtvlekken. Daarom raden we je aan om een lamp voor het belichten van personen altijd wat verder weg te zetten.

Afstand tot je onderwerp

De afstand tot je onderwerp is een belangrijke factor, want je ‘verliest’ licht wanneer je de continulamp verder weg zet. Hoe kleiner het oppervlak van de lamp is ten opzichte van je onderwerp, hoe harder de schaduw is. Dus hoe groter de lichtbron is ten opzichte van het onderwerp, hoe zachter het onderwerp belicht wordt. Denk bijvoorbeeld aan een groepsfoto. Wanneer je een groep mensen gaat fotograferen, dan kun je dit beter doen met meerdere studioflitsers dan met een continulamp.

CRI

De afkorting CRI staat voor ‘Color Rendering Index’ en dit staat voor hoe goed kleuren worden weergegeven in vergelijking met daglicht. Hoe hoger het CRI-getal, hoe meer kleurecht het licht is. Hoe dichter het getal bij de 100, hoe kleurechter het licht is. Lampen met een CRI van 95 of 98 zijn heel kleurecht.

Kleurtemperatuur

Als je vaak gemengde lichtbronnen hebt, is het handig om een lamp te kopen met een aanpasbare kleurtemperatuur. Een continulamp met een enkele kleur kan een vermogen hebben van 15.000 lumen, maar een vergelijkbare bi-color lamp kan maar 12.500 lumen als vermogen hebben. Warm licht is sowieso minder fel waardoor je waarschijnlijk eerder naar een lamp met een hogere maximale opbrengst moet kijken. Let er wel op dat ee bi-color lamp altijd minder fel is dan een lamp uit dezelfde klasse met een enkele kleur. Bij een bi-color lamp worden de LED’s namelijk gemiddeld.

Regelbaarheid

De meeste LED continulampen zijn traploos instelbaar. Dat betekent dat wanneer jij aan de knop van de helderheid draait, je de intensiteit van het licht meteen ziet veranderen. Sommige lampen zijn zelfs op afstand regelbaar met behulp van een bijbehorende afstandsbediening, een app voor je smartphone of vanaf een mengpaneel.

Accu of netstroom

Een lamp kan werken op netstroom of op een accu. Professionele modellen hebben een V-mount aansluiting voor accu’s en andere werken met Sony NPF-serie li-ion accu’s. Kijk wat je voorkeur heeft en wat je nodig hebt. Wel is het handig om te weten dat er vaak geen lichtnetadapter of een accu wordt meegeleverd bij een lamp, tenzij je een complete kit koopt. Let hier dus op!

Bekijk continulampen